Mieren
HOME
  
 
Laatst liep ik buiten. Het was stralend weer. Een strak blauwe lucht en een heerlijk voorjaarszonnetje scheen op mijn bol. Een enkel verdwaald wolkje leek vastgeplakt in de blauwe lucht. Ik genoot ervan en keek om mij heen naar al het groen. In de verte zag ik koeien lopen. Ze sjokten langzaam van grasspriet naar grasspriet. Het leek wel of ze net zo gelukkig waren als ik.

Toen viel mijn oog op leven dichterbij mij. Een colonne mieren liep het pad over. Ze liepen keurig netjes in een rij. Allemaal sjouwden ze zwaar materiaal mee. De één een dennennaald, de ander een zandkorrel, weer een ander een stukje gras. Keurig in een rij liepen ze langs allerlei grote obstakels. Langs een schelp, die nooit was fijngetrapt, langs een kiezelsteen en langs diepe ravijnen en hoge bergen. Ze leken heel goed te weten waar ze heen moesten gaan. Ik volgde hun spoor. Al gauw zag ik, onder een boom, waar ze aan bouwden. Er lag al een flinke stapel bouwmateriaal. Deze werden stuk voor stuk keurig gerangschikt op de mierenhoop. De mierenhoop was nog niet zo groot, maar was wel zeer dichtbevolkt. Overal waar ik keek waren mieren, mieren en nog eens mieren. Allemaal hard aan het werk. Ik zou toch niet graag aangevallen worden door zo 'n groot leger. Daarom danste ik van mijn ene been op de andere, om zo de aanval te voorkomen.

Ik begon mij af te vragen wat deze diertjes dreef om zo hard te werken. Konden ze niet gewoon in de boom slapen? Tussen stam en schors was vast zat ruimte voor ze. Waarom sleepten ze brokstukken net zo groot als zichzelf, (mieren)kilometers ver? Werden ze gedreven door een slavendrijver? Of waren ze door het leger zo gedrild? Want als er een leger bestaat die gedrild is, dan moet dat het leger van de mieren zijn. Geïnspireerd door deze kleine diertjes liep ik verder.

De hele wandeling lang, filosofeerde ik over het mierenrijkdom, maar tevergeefs. Ik kon geen reden verzinnen waarom ze de hele zomer lang hard moesten werken aan die mierenhoop. Nog niet te bedenken dat ze ook nog eens onder de grond in de weer waren. Hele gangen en allerlei holletjes en ruimtes waren daar. Zo ijver... maar waarom? Ik was al bijna thuis toen ik zag dat de bouwvakkers bij mij aan de overkant ook zwoegden. In korte broekjes en hemdjes of zelfs in blote bast. Ik kon het niet laten hen te vergelijken met de zwoegende miertjes. Ze waren dan wel met minder en ook zeker minder gedisciplineerd, maar ook zij waren hard aan het werk aan een holletje. Niet voor henzelf, maar voor hen die niet zelf bouwen kunnen.

Toch grappig... Want waarom zij zo hard aan het werk waren snapte ik wel. Zij werkten voor het geld. Van dat geld kunnen ze straks naar hun eigen huis toegaan. Lekker leven van het geld en er leuke dingen van doen. De huizen zijn voor mensen die daar een liefdesnest of een thuis van willen maken. Om knus in de winter bij elkaar te zitten en te genieten van de geborgenheid die zo 'n eigen plek geeft. Daar was het die mieren om te doen. De zomer lang zwoegen ze om een huis te bouwen, om in de winter gezamenlijk te overleven en om hun babymiertjes in groot te laten worden. Zo 'n klein diertje en toch weinig anders dan de grote mens. Gedreven door een oerkracht. Zij geven zich over aan die oerkracht. Laten zich drijven in de grote groep. Willen niet individualiseren, maar een eenheid zijn met zijn allen. Saamhorigheid en broederschap, daar staat hun kolonie voor. Deze miertjes die zo weinig verschillen van ons, kunnen ons nog een hoop leren...

Terug naar het overzicht met logjes

Aanrader

 

 
Copyright ©2006 Cybermier.nl